|
Onderzoekers WUR twijfelen aan biobrandstoffen.
Het kabinet overweegt vanaf volgend jaar met een lagere accijns het gebruik van biobrandstoffen aantrekkelijk te maken.
Dat meldde een woordvoerster van het ministerie van Landbouw woensdag. Welke accijnsverlaging het Rijk wil doorvoeren, moet op prinsjesdag bij de presentatie van het Belastingplan 2006 blijken.
Biobrandstoffen zijn meestal wat duurder per liter dan gewone diesel of benzine. Biodiesel is diesel vermengd met koolzaadolie. Die vermenging maakt de biobrandstof duurder. De (deels) natuurlijke brandstoffen zijn aantrekkelijk omdat een auto die rijdt op biodiesel minder zwavel en roet uitstoot.

Minister Veerman van Landbouw kondigde woensdag in een brief aan de Tweede Kamer aan dat in het Belastingplan 2006 zal staan hoe het gebruik van brandstoffen als biodiesel en bio-ethanol precies gestimuleerd zal worden. "Het gaat om maatregelen in de accijnssfeer", aldus de LNV-woordvoerster.
In de Tweede Kamer gingen al stemmen op minder belasting te heffen op biodiesel en bio-ethanol. Een lagere accijns zou deze brandstoffen ondanks de hogere productieprijs toch aantrekkelijk kunnen maken voor de autorijder. Duitsland, Oostenrijk, Spanje, Italië, Polen, België en Zweden stimuleren de natuurlijke diesels en benzines al op deze menier.
Begin juni maande de Europese Commissie Nederland en zeven andere lidstaten om vaart te maken met de biobrandstoffen aan de pomp. Nederland loopt verder achter op het Europese schema.
Het doel is dat in 2010 5,75 procent van de brandstoffen biologisch is. Brussel streeft naar meer biobrandstof omdat auto’s hierop zuiniger en schoner rijden en het Europa minder afhankelijk van de olie-exporterende landen maakt.
In de brief schrijft Veerman verder dat de koolzaadteelt in Nederland ten behoeve van de biobrandstoffen voorlopig "geen hoge vlucht" zal nemen.
Onderzoekers van de Wageningen Universiteit komen tot die conclusie omdat koolzaad momenteel niet kan concurreren met graan of snijmaďs. In Frankrijk en Duitsland ligt dit juist andersom, vanwege de structureel lagere tarwe-opbrengsten per hectare aldaar. Naar verwachting van de onderzoekers zal de teelt van koolzaad voor biodiesel in Nederland dan ook geen hoge vlucht nemen. Dat geldt niet alleen onder de huidige marktomstandigheden, maar ook onder het nieuwe EU-landbouwbeleid.
Om de teelt in Nederland aantrekkelijker te maken, is een combinatie nodig van meer kilo's per hectare, hogere opbrengstprijzen en lagere kosten. Deze combinatie van maatregelen ligt binnen de mogelijkheden, maar vergt een aanzienlijke inspanning van de sector.
Door onderzoek en voorlichting kan de opbrengst van koolzaad per hectare volgens deskundigen omhoog. Prijzen kunnen stijgen als voor het stro een hoogwaardiger toepassing wordt gevonden. Ook kunnen ketenafspraken de economische aantrekkelijkheid verhogen. Onder deze voorwaarden kan koolzaad concurreren met wintertarwe en zou een grootschaliger teelt van koolzaad van de grond kunnen komen.
In totaal staat koolzaad op ruim 4,5 miljoen hectare Europese akkers. Iets meer dan de helft daarvan ligt in Duitsland en Frankrijk. In Nederland groeide dat oppervlak in 2004 naar ruim 1600 hectare.
Nieuwbouw: vuile lucht compenseren in omgeving.
Staatssecretaris Van Geel (Milieu, CDA) heeft de toepassing van Europese eisen voor luchtkwaliteit zo aangepast dat er weer kan worden gebouwd. Dit blijkt uit een brief van hem aan de Tweede Kamer.

De soepeler toepassing waar Van Geel voor kiest moet de stagnatie bij tal van bouwprojecten en bij de aanleg of verbreding van wegen weer opheffen.Alles draait om het begrip saldering. Als door een bouwproject de luchtkwaliteit verslechtert en de normen worden overschreden, zullen tegelijk maatregelen worden getroffen waardoor de kwaliteit in een ruimer gebied (per saldo) niet verslechtert of zelfs verbetert. Bij een wegverbreding of een spitsstrook kan dat worden gerealiseerd door bijvoorbeeld de maximumsnelheid op dat weggedeelte te verlagen. Van Geel neemt op diverse plaatsen nu een proef met deze aanpak. Deze pilots worden gecontroleerd door een team waarin gemeenten, provincies en rijk samenwerken.
In zijn brief laat Van Geel weten dat de compenserende maatregelen verband moeten houden met het bouwproject, dus gaan gelden in de directe omgeving. Bovendien moet die compensatie worden geregeld door hetzelfde bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de nieuwbouw of de wegverbreding. Ook moet het om dezelfde vervuilende stoffen gaan: een vervuiling door fijn stof kan niet worden ondervangen door de vermindering van stikstof. ,,De compensatie dient in de directe nabijheid van het project te worden gezocht, zodat de luchtkwaliteit niet per saldo verslechtert.''
Als extra maatregelen niet mogelijk zijn in de directe omgeving, kan een groter gebied worden gekozen. Als voorbeeld noemt Van Geel de aanleg van een rondweg waardoor verslechtering van de lucht zal optreden. Door een woonwijk of een heel centrum autoluw te maken zal echter weer ,,een aanzienlijke verbetering optreden''. In een groter gebied zal de kwaliteit daardoor niet hoeven te verslechteren, zegt Van Geel.
Ondernemers bekritiseren lokale bouwputten.
Gemeenten houden bij bouwprojecten onvoldoende rekening met ondernemers. Die leiden hierdoor onnodig veel schade, stelt de vereniging voor het midden- en kleinbedrijf MKB Nederland.
De belangenbehartiger luidt de noodklok over onzorgvuldige communicatie, planning en uitvoering bij projecten. In een brandbrief aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) worden de klachten opgesomd die uit een inventarisatie onder de achterban naar voren kwamen. Met name bij wegwerkzaamheden laten gemeenten steken vallen.
Een veelgehoorde klacht is dat de informatievoorziening gebrekkig is, evenals het overleg met de betrokken ondernemers. Regelmatig moeten ondernemers hun activiteiten staken, nog voordat de gemeentelijke werkzaamheden beginnen. Het komt nogal eens voor dat gemaakte afspraken, zoals over bebording en routeaanduiding, niet worden nagekomen. MKB Nederland wijt dit aan het langs elkaar heen werken van verschillende bestuurslagen.
De ondernemers doen een klemmend beroep op lokale overheden om de regie rond bouwprojecten te verbeteren en een goed functionerend centraal aanspreekpunt voor ondernemers in te stellen. De VNG stelt echter in een reactie dat lokale overheden op dit punt weinig te verwijten valt. 'Gemeenten nemen deze verantwoordelijkheid', aldus de koepelorganisatie. 'Maar het kan voorkomen dat planningen, om welke reden dan ook, uitlopen.'Een voorstel van MKB Nederland om geleden schade makkelijker te kunnen verhalen, ontmoet evenmin veel sympathie bij gemeenten. Ondernemers zouden de bewijslast willen omdraaien omdat klachten nu te vaak worden afgewimpeld als 'ondernemersrisico'. De VNG vindt dit echter indruisen tegen het huidige rechtssysteem. 'Degene die stelt dat er schade is geleden, moet dat ook bewijzen'.
Ook de suggestie dat gemeenten collectief een overbruggingskrediet voor winkeliers zouden moeten instellen, vindt geen gehoor bij de lokale overheden. 'Dit is niet de taak van gemeenten', aldus de VNG. Wel staan de gemeenten open voor voorbeelden en initiatieven om via landelijke richtlijnen schade en overlast van bouwwerkzaamheden te beperken.
Meer investeren in kenniseconomie!
Uit een onlangs door het kabinet gepresenteerde verkenning, naar de investeringen in kennis en de prestaties van de kenniseconomie, blijkt dat de doelstellingen nog lang niet worden gehaald. Als aandachtspunt uit de verkenning komt naar voren dat sinds de jaren negentig het investeringsniveau in kennis fors is gedaald.
Nederland kende in 2001 een investeringsachterstand van ongeveer 1,8% BBP (ongeveer 8 miljard euro) ten opzichte van het OESO gemiddelde (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). De achterstand zit aan de publieke en aan de private kant. Als we kijken naar de Europese top 3 was de achterstand nog aanzienlijk groter.
Verdere knelpunten zijn: het relatief grote aantal vroegtijdige schoolverlaters en er is sprake van een niet meer dan gemiddeld opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Verder is er een relatief gering aantal afgestudeerden in de bčta- en techniekrichting en zijn private investeringen in research & development (R&D) laag. Ook wordt kennis onvoldoende toegepast in de markt.
Het kabinet stelt voor om de volgende kabinetsperiode te komen tot een onderzoeksagenda Kennis en Innovatie. Het is de bedoeling deze agenda in samenspraak met onderzoeksinstellingen, het Innovatieplatform en andere belanghebbenden vorm te gegeven. Op basis van de onderzoeksresultaten kan het beleid verder worden aangescherpt.
Nieuwe berekening ozb kost de gemeente tonnen.
Het afschaffen van het gebruikersdeel van de onroerende zaakbelasting (ozb) in 2006 gaat de gemeente Wageningen wel degelijk tonnen aan inkomsten schelen.
Minister Remkes (Binnenlandse Zaken) verklaarde onlangs dat geen enkele gemeente er door deze operatie op achteruit gaat. De rekenmeesters vanuit de provincie voorzien echter forse schadeposten. Ook de gemeente Wageningen zal daardoor worden gedwongen tot extra bezuinigingen.
Het probleem vloeit voort uit de berekening van het bedrag waarmee de rijksoverheid de wegvallende ozb-inkomsten aan de gemeente wil compenseren. Dat bedrag is gebaseerd op de ozb opbrengst in het jaar 2002, verhoogt met een inflatiecorrectie van ruim 3 %. Deze berekening is echter volledig achterhaald. De gemeente Wageningen heeft immers juist de laatste jaren, dus ná 2002, het ozb-tarief flink verhoogd. Dit is gebeurd om de balans tussen stijgende kosten en oplopende rijksbezuinigingen in evenwicht te houden.
De rijksoverheid -de ministeries van Financiën en Binnenlandse Zaken- ziet dat anders. Zij voert aan dat de gemeenten al sinds 2002 wisten dat de compensatie voor het wegvallen van een deel van de ozb berekend zou worden aan de hand van de ozb-opbrengsten van dat jaar. De ozb-verhogingen die veel gemeenten daarna nog hebben doorgevoerd, komen dan ook voor hun eigen rekening.
Hoe het ook zij, als het gebruikersdeel van de ozb in 2006 vervalt, worden de gemeente voor die wegvallende inkomsten niet gecompenseerd op basis van de ozb-inkomsten in 2005, maar volgens het veel lagere 'prijspeil' van 2002 (plus 3procent). En dat scheelt de gemeenten erg veel centen.
Helft huuropbrengst naar corporaties.
Ruim de helft van de huuropbrengsten van de woningcorporaties gaat op aan de bedrijfsvoering. Dat blijkt uit onderzoek van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (CFV), de financiële toezichthouder voor de woningcorporatiesector. In de periode van 2000 tot 2003 was er daardoor ongeveer 7,8 miljard euro minder te besteden aan bijvoorbeeld het bouwen van nieuwe huurhuizen.
De bedrijfslasten van de woningcorporaties zijn tussen 2000 en 2003 met gemiddeld negentien procent gestegen. De oorzaken van de stijging zijn onder meer te vinden in de groei van personeelskosten en de toename van overheidsheffingen. Ook de cao speelt een rol bij de hogere bedrijfslasten. De ontwikkeling van de cao-lonen was de afgelopen jaren hoger dan de gemiddelde stijging van de cao-lonen in Nederland.
Het ontbreekt de corporaties nog wel aan een duidelijke verantwoording van de kosten. Daardoor kan bijvoorbeeld niet de conclusie getrokken worden dat de hogere lasten hebben geleid tot een betere kwaliteit van de dienstverlening, zegt woordvoerder Jan van Moolen van het CFV vrijdag. Het fonds vindt daarom dat corporaties hun kosten beter moeten verantwoorden. Op deze manier kunnen bedrijven met elkaar worden vergeleken, hetgeen zou kunnen leiden tot een efficiëntere bedrijfsvoering.
Van media-educatie naar mediawijsheid.
Wie niet 'mediawijs' is, raakt sneller maatschappelijk buitengesloten. Om optimaal te kunnen functioneren in een van media doordrenkte samenleving is het zaak dat burgers de kennis, de vaardigheden en de mentaliteit hebben om zich gemakkelijk en betekenisvol in die omgeving te bewegen. De verantwoordelijkheid voor de bevordering van die 'mediawijsheid' ligt onder meer bij de overheid. Zij dient vanuit een ander perspectief beleid te voeren. Daarin gaat het er bijvoorbeeld minder om kinderen te beschermen tegen kwalijke media-invloeden dan om hen en hun ouders in hun mediagebruik te versterken. Dat schrijft de Raad voor Cultuur aan staatssecretaris Medy van der Laan.
De Raad voor Cultuur spreekt in zijn advies Mediawijsheid. De ontwikkeling van nieuw burgerschap niet langer van media-educatie. Zowel in de praktijk als in het overheidsbeleid is media-educatie te exclusief gericht op onderwijs, kinderen en jongeren, aanbod en bescherming. Om optimaal te kunnen functioneren in de hedendaagse gemedialiseerde maatschappij zou naar de mening van de Raad iedereen mediawijs moeten zijn, en niet alleen op het terrein van de media of de cultuur maar evenzeer op het terrein van de zorg, de politiek of de veiligheid. Daarbij gaat het er om dat burgers media niet alleen consumeren maar ook produceren en dat zij zich bovendien bewust zijn van de houding waarmee zij dat doen en het effect dat het heeft.
De Raad constateert dat burgerschap langzamerhand een nieuwe invulling krijgt. Dat komt mede doordat de overheid steeds vaker een beroep doet op de zelfredzaamheid van de burger. Media spelen daarbij een belangrijke rol: zonder de mogelijkheden van internet zou de overheid nooit op dezelfde manier een dergelijk beroep op de eigen verantwoordelijkheid van de burger kunnen doen. In de ogen van de Raad heeft de overheid dan ook een zorgplicht als het gaat om het bevorderen van mediawijsheid. Dit ook om te voorkomen dat de tweede digitale kloof die door het Sociaal Cultureel Planbureau is gesignaleerd tussen kansarme burgers die op een beperkte en kansrijke burgers die op een brede wijze van media gebruik maken, alleen maar groter wordt. De bevordering van mediawijsheid verdient naar de mening van de Raad dan ook een prominente plaats op de (ict)innovatie-agenda van de rijksoverheid.
De Raad ziet tevens een rol weggelegd voor de publieke media die voorbeeldige inhoud moeten maken en daarnaast hun kennis en expertise ook ten dienste moeten stellen aan het nieuwe maatschappelijk middenveld. Behalve media-instellingen moeten ook culturele instanties en openbare bibliotheken zich rekenschap geven van het bredere perspectief op mediacompetenties. Een apart beleidsveld en een apart instituut voor jeugd en media, zoals wordt voorgesteld vanuit het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn, acht de Raad echter onnodig. Naar zijn mening druist een centrale bundeling van kennis en praktijken in tegen de huidige ontwikkelingen die juist het belang van decentralisatie benadrukken. Bovendien acht de Raad het meer effectief om kinderen en hun opvoeders te versterken in hun mediagebruik dan hen tegen de kwalijke invloed van die media te beschermen.
In het aangescherpte perspectief van de Raad blijft onderwijs een belangrijke speler, zij het niet langer de enige. Een apart vak of opname in kerndoelen of eindtermen acht de Raad niet nodig; wel is hij voorstander van het aanstellen van mediacoaches in het onderwijs. Deze bieden begeleiding en inspiratie bij mediaonderwijs op de eigen school, dragen zorg voor continuďteit en ontwikkelen projecten met buitenschoolse partners.
Jongeren kopen liefst huis met tuin.
Driekwart van de starters op de huizenmarkt zoekt een woning met tuin. Appartementen zijn nauwelijks in trek bij jongeren die in een stad willen wonen. Slechts 7 procent woont graag in een appartement.
Dat bleek woensdag uit een onderzoek dat Bouwfonds MAB heeft laten uitvoeren. De projectontwikkelaar liet uitzoeken wat voor soort woning jongeren tussen 25 en 35 jaar graag betrekken. De overgrote meerderheid van de jongeren wil het liefst een woning kopen. Een kleine 20 procent geeft de voorkeur aan een huurwoning. Voor de kopers vormen de hoge huizenprijzen logischerwijs de belangrijkste hindernis op de weg naar hun gewenste eigen huis met tuin.
De kwartaalcijfers die de makelaarsvereniging NVM vorige week presenteerde, leerden dat starters een gemiddelde tussenwoning niet kunnen financieren. Het betreft in dit geval starters die op basis van één salaris een woning willen kopen. Zij kunnen een appartement wel betalen.
Uit het onderzoek voor Bouwfonds MAB blijkt dat slechts 13 procent van de jonge stedelingen zijn woonruimte in de binnenstad zoekt. Bijna de helft woont liever nabij het centrum. Ruim een kwart geeft de voorkeur aan een huis aan de rand van de stad.
");
Bestuurlijke vernieuwing kan nog lang duren.
Toen de regeringspartijen CDA, VVD en D66 in maart, na de val van minister De Graaf (D66), nieuwe afspraken maakten over bestuurlijke vernieuwing, sprak D66-kopstuk Laurens Jan Brinkhorst van ‘een revolutionair moment’. De Graafs opvolger Alexander Pechtold (eveneens D66), die vrijdag zijn vernieuwingspakket presenteerde, toonde zich daarbij niet minder opgetogen. ‘De bestuurlijke vernieuwing is binnen, het reces kan beginnen’, riep hij. Niettemin is er reden dat optimisme met enige scepsis te bekijken.
De belangrijkste voorstellen van Pechtold op een rijtje:
Een: de instelling van een ‘burgerforum’. Dat forum moet een nieuw kiesstelsel in elkaar gaan zetten. De politiek komt er zelf namelijk niet uit, stelt Pechtold vast. Iedere Nederlander kan zich opgeven om mee te doen in het forum. Om de beschikbare plaatsen zal worden geloot. Het forum begint volgend jaar en moet in het najaar van 2006 klaar zijn. Over wat er met het werk van het forum vervolgens gebeurt, durft Pechtold niet te speculeren. Het kabinet zal de opmerkingen van het forum beschouwen als een ‘advies’.
Twee: een nationale conventie van politici, wetenschappers, jongeren, journalisten en opiniemakers gaat een ‘grondige analyse’ maken van het constitutioneel bestel. Voldoet de huidige Grondwet nog aan de eisen van de tijd? Is de Eerste Kamer niet overbodig? Zijn politieke partijen niet achterhaald? De conventie begint later dit jaart en zal, alweer, ‘advies’ uitbrengen aan het kabinet. Dat kan vervolgens zelf beslissen wat het daarmee doet.
Drie: een ‘grondig en gericht onderzoek’ naar de positie van de minister-president, uit te voeren door de minister-president zelf. Heeft hij genoeg bevoegdheden? Moet hij wellicht direct worden gekozen? Dit onderzoek was ook al afgesproken in het regeerakkoord van 2003, maar er is sindsdien weinig van vernomen. Balkenende maakt geen haast. Pechtold houdt de moed erin en hoopt nog deze kabinetsperiode op ‘concrete maatregelen of voorstellen’.
Vier: het referendum. Dat komt er niet, als het aan het kabinet ligt. Pechtold heeft het wel geprobeerd, maar hij liep stuk op het geharnaste verzet van het CDA. Datzelfde CDA volgt intussen met argwaan de initiatieven vanuit de Tweede Kamer om op een of andere manier toch een referendum in het leven te roepen. De coalitiepartners D66 en VVD moeten natuurlijk zelf weten of ze de oppositiepartijen PvdA en GroenLinks hierin steunen, zei CDA-leider Balkenende vrijdag. Maar achter de schermen is in christen-democratische kringen andere taal te horen.
Vijf: de direct door het volk gekozen burgemeester. Afgelopen voorjaar gesneuveld door toedoen van de PvdA in de Eerste Kamer. Het plan wordt nu opnieuw in de steigers gezet. Er zijn twee adders onder het gras. Waarom zou de PvdA (voorstander van een door de gemeenteraad gekozen burgemeester) de benodigde grondwetswijziging straks opeens wel aan de benodigde tweederde meerderheid helpen? Bovendien moet een grondwetsherziening twee keer door het parlement. Daartussen zitten verkiezingen. Weinigen achten de kans groot dat D66 na 2007 nog in de regering zit. De druk op de dan regerende partijen om dit plan door te zetten, is dan niet erg groot meer.
Zes: de verlaging van de voorkeursdrempel. Dit lijkt het enige plan waarin alle betrokkenen Pechtold zonder veel mitsen en maren willen volgen. Het wordt bij de volgende verkiezingen voor kandidaat-Kamerleden makkelijker om met voorrang in de Tweede Kamer te komen. Nu nog ligt de grens op 25 procent van de kiesdeler (het totaal aantal uitgebrachte stemmen gedeeld door de 150 beschikbare zetels). Dit wordt verlaagd naar 12,5 procent. Bij een gemiddelde kiesdeler van 60 duizend stemmen heeft een kandidaat dan aan 7500 stemmen genoeg om met voorkeur te worden gekozen. Pechtold hoopt dat dit de ambitie van politici zal vergroten om een eigen achterban te vinden.
Van de zes plannen zijn er dus vijf waarvan de uitkomst allerminst zeker is. Het optimisme van Pechtold is dan ook lastig te verklaren. Zeker voor wie weet met hoeveel cynisme in het CDA en een belangrijk deel van de VVD over de vernieuwingsdrang van D66 wordt gedacht. Van opmerkingen dat Pechtold vooralsnog niet meer is dan een minister van Onderzoek en Analyse, raakt de bewindsman doorgaans zeer geďrriteerd. Maar voor de conclusie dat hij veel meer is, is het toch nog veel te vroeg.
door: Raoul du Pré
Stadspartij presenteerd nieuwe stadsleus.
Wageningen “City of Life Sciences” niemand die nu echt weet waar dat voor staat. Of zich er echt mee kan identificeren. Althans dat is de mening van de Stadspartij Wageningen, daarom heeft de partij de afgelopen maanden gezocht naar een mogelijk alternatief of een aanvulling.
Gelijktijdig is er een prijsvraag uitgeschreven om zo de inwoners van Wageningen de mogelijkheid te geven een bijdrage te leveren. De Stadspartij heeft 87 reacties ontvangen. Dit is behoorlijk veel als men weet dat in een stad als Utrecht maar 56 reacties zijn binnen gekomen bij een soortgelijk initiatief. Uit de reacties is duidelijk geworden dat veel inwoners van Wageningen, net zoals de Stadspartij, het “City of Life Sciences” eigenlijk maar niets vinden. Uit de inzendingen heeft de jury gekozen voor 10 leuzes die in de Nederlandse taal waren geschreven en een bovenregionale uitstraling hadden. Deze 10 leuzes zijn voorgelegd aan 120 Wageningers, die zich uiteindelijk het best konden identificeren met “Wageningen Stad van Vrede en Vrijheid”. (Deze slogan werd ingezonden door Ed Dumrese, zie foto.)

Hierbij heeft men blijkbaar niet voor ‘nieuw’ gekozen maar vooral voor ‘anders’. Men beseft dat de keuze voor 'City of Life Sciences' en de keuze voor de engelse taal betekend dat Wageningen zich op 'kennis' concentreert en op het internationaal bereik. Daarmee concentreert men zich op de toekomst en op de economische ontwikkeling. Maar men duidt ook aan dat de doelgroep voor wie deze naam staat maar een segment is van de bevolking. Niet alle bezoekers van onze stad komen voor de WUR. Daarom vindt men het wenselijk om een complementaire leuze toe te voegen. Men is van mening dat wij de hele discussie over “City of Life Sciences” niet voor niets hebben gevoerd? Waren wij net gewend aan Kennisstad , wordt het Life Sciences en nu weer iets anders? Dat vind men niet wenselijk en onnodig.
Het gekozen alternatief is daarom niet nieuw, maar wel zo voor de hand liggend, Wageningen Stad van de Vrede en Vrijheid. Voordeel is, dat het de bestaande naam niets uitsluit, maar complementair is. Cultuur en kennis vullen elkaar aan. Met de keuze voor ‘Vrede en Vrijheid’ wordt er niet alleen gekozen voor het verleden (bevrijding) maar juist ruimte gegeven aan vernieuwing en een ruime invulling. Wageningen is immers ook een open, tolerante en multiculturele samenleving.
|